DE VERDWIJNING

VAN MENEER LUCASIE

Een kort verhaal van Dennis Rijnvis

'Ik denk dat hij zich zo vaak heeft gewassen dat het water het laatste beetje kleur van zijn huid heeft gespoeld en niemand hem nog kan zien'

1.

Ik weet niet precies hoe meneer Lucasie onzichtbaar is geworden, maar ik denk dat het gebeurde toen hij zijn huid aan het schrobben was voor de voorstelling.

‘Hij was in de waterwagon’, roept mevrouw Lucasie. ‘Hij was met een tobbe water bezig, en nu is hij weg. Ik heb overal gezocht.’

‘Houd me niet voor de gek, mens’, schreeuwt meneer Phineas. ‘Hij moet op het terrein zijn.’

Vanuit mijn schuilplaats in de bosjes kan ik alleen het gezicht van meneer Phineas zien. Hij schudt met zijn hoofd en knijpt zijn ogen tot spleetjes, zodat je niet meer kunt zien dat hij een groen en een blauw oog heeft.

Ik durf niks te zeggen, want je moet meneer Phineas niet voor de voeten lopen als hij kwaad is. Maar volgens mij is meneer Lucasie echt verdwenen, want vanochtend zag ik het hoofd van mevrouw Lucasie opeens voor ons raam. Ik had haar gezicht nog nooit van zo dichtbij bekeken en schrok van haar rode ogen en bobbelige bleke huid. Ze bukte, alsof ze een geheime schuilplaats onder onze caravan zocht. Haar witte haar leek van dichtbij op vlastouw. Toen ze weer omhoog kwam, gebruikte ik al mijn spieren om mijn mond te laten glimlachen. Het is onbeleefd om van mensen te schrikken, alleen omdat ze er anders uitzien dan jij. Dat weet ik heus wel, maar ik kan gewoon niet aan haar gezicht wennen. Mevrouw Lucasie komt bijna nooit buiten. Ze haat de zon, omdat de zonnestralen gaatjes in haar huid  branden die later veranderen in grote bulten. Iedere keer zeg ik tegen mezelf: nu weet ik wel hoe wit ze is, de volgende keer hoef ik niet meer te schrikken. Maar als ze na een paar dagen in haar caravan opeens de deur weer open slaat en haar hoofd naar buiten steekt, is ze altijd weer bleker dan ik me herinner en denk ik heel even dat ik een spook zie.

Zo is het volgens mij ook gegaan bij meneer Lucasie. Hij is te bleek geworden. Ik denk dat hij zich zo vaak heeft gewassen dat het water het laatste beetje kleur van zijn huid heeft gespoeld en niemand hem nog kan zien. Misschien staat hij wel gewoon naast de caravan en lacht hij iedereen uit. Zonder geluid natuurlijk, want zijn stem kan hij niet weg hebben gewassen. Ik zou de stem van meneer Lucasie overal herkennen. Hij zou me nog iets belangrijks vertellen.

Meneer Phineas loopt nu weg en bijt in de rand van de hoed die hij in zijn hand heeft. Mevrouw Lucasie zegt niets en volgens mij is dat ook het beste, want meneer Phineas gelooft niet in onzichtbaarheid. Sprookjes, noemt hij dat soort dingen altijd. Ik vind het raar dat hij zo praat, want in de grote tent vertelt hij zelf aan het publiek dat zeemeerminnen echt bestaan en dat dwergen kunnen toveren en sommige vrouwen eeuwig kunnen leven en als dat allemaal niet waar is, waarom kopen de mensen dan nog steeds kaartjes?

Ons circus is groot geworden. Zo groot, dat er altijd wel een artiest de piste in kan rennen als er iemand ziek of onzichtbaar is geworden. Chang en Eng zijn de favoriet van iedereen, zij hoeven maar één buiging in de piste te maken om iedereen ‘oh’ en  ‘wauw’ te laten roepen. Hun buiken zitten met een dun velletje aan elkaar vast. Vroeger dacht ik dat het een truc was met lijm en dat ze zich stiekem losmaakten in hun caravan als niemand het zag. Maar laatst liep ik langs de wc en zag ik vier benen in een hokje met de bruine sandalen die Chang en Eng altijd aan hebben. Ik ben benieuwd hoe ze op de wc zitten als ze allebei tegelijk moeten – je weet wel voor een grote boodschap – maar dat durf ik niet aan ze te vragen, want Chang en Eng praten liever niet met de anderen. Ze vinden zichzelf de enige fatsoenlijke mensen in het circus.

 

2.

Vandaag zie ik geen sandalen of blote voeten onder de deuren van de hokjes in de waterwagon, dus ik kan rustig ‘Meneer Lucasie fluisteren, zonder dat iemand het hoort en denkt dat ik gek ben, of het moet Meneer Lucasie zelf zijn, maar die begrijpt heus wel dat ik weet dat hij onzichtbaar is. Niemand geeft antwoordt, dus doe ik alle hokjes open. Ik vraag me af hoe een washokje er uit ziet waarin iemand opeens onzichtbaar is geworden, maar er liggen nergens kleren van Meneer Lucasie. Het enige dat ik zie is een zeepvaatje waar een moeilijk woord op staat dat volgens mij zilverzeep betekent en dus van de koordanseressen moet zijn, want hun huid glinstert altijd voordat ze de grote tent in gaan. In het circus is het heel gewoon dat mannen en vrouwen zich naast elkaar wassen, want Meneer Phineas zegt dat het veel te duur is om twee waterwagons te kopen.

Alleen mevrouw Joyce heeft een bad in haar wagon. Zij werkt al bij het circus zo lang het bestaat. Dat is knap, maar ze hoeft ook alleen maar op een bed te liggen in de piste en haar ogen dicht te doen en niets te zeggen, dus het is voor haar makkelijk vol te houden. Dat mag ik niet tegen haar zeggen van mijn vader, want iedereen doet zijn best in het circus en mevrouw Joyce is tenslotte 161 jaar. Ik weet niet of dat de waarheid is of een sprookje, maar er zitten meer dan honderd rimpels in haar gezicht en als ze vertelt over de geschiedenis van Amerika, is het net alsof ze overal bij is geweest.

Mevrouw Joyce heeft nog voor George Washington gezorgd toen hij klein was. Hij is de man die ons land heeft opgericht, zegt ze. Maar ik houd meer van haar verhalen over de oorlog, over haar vriendin Sarah Edmonds die de troepen van de Unie stiekem afluisterde. Ze was een blanke vrouw die zich verkleedde als een man. ‘En let op: als een zwarte man’ , zegt mevrouw Joyce altijd. ‘Het is geen schande om zwart te zijn. Ook niet als je eigenlijk blank bent.’

Mevrouw Joyce heeft gelijk. Van mij mogen de zwarte mensen in het circus best in onze caravan slapen, of in de grote tent zitten als we met z’n allen sinaasappels eten aan de grote tafel na de voorstelling, maar ze moeten meestal buiten blijven. Dat vinden ze niet erg. De zwarten lachen naar ons als we op het circusterrein spelen met alle kinderen en besjes schieten naar de apen of een emmer water bij de olifanten neerzetten, zodat ze de eerste de beste voorbijganger nat spuiten, niet omdat ze met ons mee spelen, maar gewoon omdat ze dat kunstje nu eenmaal hebben geleerd voor hun optreden met de clowns.

Als we vragen of de zwarte mensen mee willen doen met kaatsbal, zeggen ze niks, of alleen ‘nee sorry meneer’, ook al is er nooit een meneer bij, want alleen kinderen hebben ’s middags vrij om te spelen.

De artiesten moeten meestal in hun caravans blijven, of in ieder geval op het afgesloten circusterrein, want de arme mensen uit de dorpen die altijd rondhangen bij de tenten mogen niet zomaar gratis de oudste vrouw ter wereld zien, of de witste familie.

Meneer Lucasie was de enige die soms stiekem optredens gaf met zijn viool, al weet ik niet voor wie, want volgens mij had niemand het in de gaten behalve ik. Hij speelde heel zachtjes en meestal ‘ s nachts, maar ik kon het toch horen, omdat de tonen tegen de deur van onze caravan kaatsten als ik in bed lag en probeerde om aan helemaal niets te denken, omdat mijn vader zegt dat je dan in slaap valt.

Maar toen dat een keer niet lukte, deed ik zo langzaam de deur open dat mijn vader in het zelfde ritme bleef knarsetanden in zijn slaap en ik naar Meneer Lucasie kon kijken. Het was al donker, maar hij had een olielamp aangestoken en ik zag dat hij op zijn rug lag voor zijn caravan en de viool op zijn buik hield alsof het een baby was die hij aaide met de strijkstok.

Het was natuurlijk niet de bedoeling dat er iemand luisterde, dus ik verstopte me achter onze caravan. De liedjes wiegden me in slaap, terwijl ik juist wakker wilde blijven om meneer Lucasie te bespieden. Na een paar seconden stopten de viooltonen en een zware stem maakte me met een zin klaarwakker.

‘Vind je het mooi?’

Ik bedacht dat Meneer Lucasie met zijn rode ogen vast dwars door de duisternis kon kijken en misschien ook wel door caravans, dus ik kwam tevoorschijn.

Eerst wilde ik snel weer naar binnen glippen, maar Meneer Lucasie lag nog steeds languit in het gras, alsof hij het niet erg vond dat er iemand hem naar hem keek.

‘Je hoort in bed’ , zei hij.

‘Ik kan niet slapen, zei ik. ‘Waarom bent u nog wakker?’

‘Dit is de beste tijd van de dag om muziek te maken’ , zei Meneer Lucasie.

‘Het is geen dag meer. Het is nacht.’

Meneer Lucasie lachte, maar het was geen grap. Mijn vader zegt dat de dag is afgelopen als het donker wordt en dat je dan naar bed hoort te gaan.

‘Heb je last van de muziek?’

‘ Nee, ik vind het mooi. Waarom speelt u eigenlijk nooit in de grote tent?’

‘De mensen komen niet om te zien dat ik muziek kan maken.’

‘ Maar ik denk dat ze het wel leuk vinden, hoor’ , zei ik. ‘De meeste mensen houden van muziek.’

‘Dank je, Will.’ Meneer Lucasie legde zijn viool in het gras en ging op zijn knieën zitten. ‘Maar de mensen komen om te kijken hoe ik er uit zie. Ze zullen niet eens luisteren naar de muziek.’

Ik vond het gek om te horen dat Meneer Lucasie mijn naam wist, ook al stond zijn caravan naast die van ons en had hij mijn vader wel honderd keer ‘Will, we gaan eten’ horen roepen, of ‘Will nu moet je heel snel komen anders geef ik je eten aan de olifant.’ We praatten nooit met hem, omdat hij overdag meestal binnen bleef, net als Mevrouw Lucasie.

Eigenlijk wilde ik tegen Meneer Lucasie zeggen dat het niet erg was dat hij wit was, maar ik bedacht me dat ik ook vaak schrok van de bleke gezichten van de familie Lucasie, dus ik zei iets anders.

“Er zijn ook zwarte muzikanten die beroemd zijn en trompet spelen, dus ik denk dat een witte ook best zou kunnen’ .

Meneer Lucasie lachte weer en nu hard, zodat ik bang was dat mijn vader wakker zou worden.

‘Je hebt gelijk Will’ , zei hij toen. ‘Je hebt precies gelijk.’

Ik vond het fijn om dat te horen en praatte verder. ‘ Mevrouw Joyce zegt dat het geen schande is om zwart te zijn, dus is het ook geen schande om wit te zijn’ , zei ik. ‘Mijn favoriete spion verkleedde zich als een zwarte man, ze heette Sarah Edmond.’

‘Dank je wel Will, maar ik denk dat je nu moet gaan slapen’ , zei meneer Lucasie.

Het was leuk om ’s nachts met meneer Lucasie te kunnen praten, want de meeste kinderen bij het circus zijn eigenlijk te klein voor mij. Lucia en Mabel van meneer Phineas zijn pas 6 en 7 en zeggen dat er ’s nachts een man met een baard langs elke caravan sluipt, die stiekem het raam open doet en zand in je ogen strooit waarvan je gaat slapen. Ik ben te oud om dat nog te geloven, want ik ben vorig jaar bijna een hele nacht wakker gebleven toen het circus tien jaar bestond en meneer Phineas vuurwerk afstak om twaalf uur en er was geen spoor te bekennen van een man met een baard en een zak zand.

 

3.

Chang en Ed hebben ook kinderen en die zitten niet aan elkaar vast. Maar Edward en Jonathan en Ching (dat is een meisje) praten bijna alleen met elkaar en kaatsbal spelen kunnen ze ook niet. Als je een bal naar ze gooit, lijkt het wel alsof ze even moeten nadenken hoe ze hem ook alweer moeten vangen. Misschien hebben ze gewoon nooit geoefend met hun vaders.  Chang en Ed zie je nooit rennen of met een bal gooien en dat kan natuurlijk ook niet, want dan trekken ze elkaar omver.

Mijn vader zegt dat de meeste kinderen in het circus bestemd zijn voor de piste. Dat betekent dat ze later een optreden moeten verzinnen om de mensen te laten klappen en geld te laten betalen. Ik weet niet hoe Edward en Jonathan en Ching dat gaan doen, maar ik denk dat ze beter geen bal kunnen gebruiken. Misschien maken ze zich later ook aan elkaar vast, maar dan met z’n drieën.

Ik ben niet bestemd voor de piste, maar misschien wel voor de tent, omdat mijn vader hem opbouwt. Het is geen zwaar werk, want meestal zegt hij alleen wat de zwarte mensen moeten doen en kijkt hij of alle haringen goed vastzitten. Maar ik wil liever helemaal niet in circus werken en spion worden.

Soms luister ik de zwarte mensen af als ze de tent opbouwen en stiekem over mijn vader praten omdat hij hen te hard laat werken. Ik probeer precies te onthouden welke scheldwoorden ze allemaal gebruiken, zodat ik het door kan vertellen.

 

Ik smeer van tevoren stiekem een beetje modder in mijn gezicht en door mijn haar, zodat ik op hen lijk. Er ligt altijd genoeg in het hok van Nessie het nijlpaard. En omdat de dieren als eerste uit de treinwagons worden geladen op de nieuwe bestemming, kan ik mezelf al zwart maken als de tent nog moet worden opgebouwd.

Maar meestal stoppen ze  opeens met praten als ze me zien, omdat iemand toch nog een paar plukjes van mijn blonde haar heeft ontdekt.  Ze beginnen dan allemaal te lachen, zodat ik wel moet weglopen, want zelfs Sarah Edmonds zou niet blijven staan als iedereen haar uitlachte.

Ik heb al een paar keer aan Mevrouw Joyce gevraagd hoe een echte spion zich zou vermommen om de zwarte mensen af te luisteren, maar ze lacht altijd alleen maar als ik dat vraag en zegt dan: ‘Jij hoeft helemaal niemand af te luisteren, Will.’

Daarna praat ze weer verder met de andere mensen, want iedereen die een vraag heeft gaat naar mevrouw Joyce, omdat zij overal wel iets vanaf weet.

Zelfs Meneer Lucasie zag ik een keer met zijn viool naar haar wagon lopen en diezelfde nachtspeelde hij een nieuw liedje op zijn viool, dus misschien weet Mevrouw Joyce ook wel hoe hij een beroemde muzikant kan worden.

Toen ik die nacht naar buiten glipte om naar de nieuwe muziek te luisteren, stak de schaduw van Meneer Lucasie zijn hand op en dacht ik dat hij blij was om me te zien en dat hij vrienden wilde worden.

“Ik zag dat je modder op je gezicht smeerde vanmiddag”, zei hij met zijn zware stem.

“Ik ben een spion”, zei ik. “Aan niemand vertellen, maar ik bespioneer de zwarte mensen voor mijn vader.”

“Waarom?”

“Gewoon om te oefenen, ik wil een spion worden.”

“Net als die vrouw, waarover je vertelde?”

“Ja, ze heet Sarah Edmonds. Maar ik weet niet hoe zij zich verkleedde. Mevrouw Joyce wil me niks vertellen.”

“Heeft ze echt bestaan?”

“Mevrouw Joyce?”

“Nee de spion.”

“Mevrouw Joyce zegt van wel. Maar ze wil niet meer vertellen dan dat.”

Meneer Lucasie legde zijn viool opzij en kwam recht tegenover me zitten. Nu leek het net alsof hij niet meer wit was, omdat ik alleen zijn zwarte schim zag in het licht van de olielamp die een stukje verderop stond.

 

“Je kunt het opzoeken in een boek”, zei meneer Lucasie. “Als ze echt heeft bestaan, moet het in een boek staan.”

“Ik heb maar een boek en dat gaat niet over spionnen,”

“In de bibliotheken kun je het vinden”, zei meneer Lucasie. “Daar hebben ze alle boeken. Ik ga er vaak heen om te lezen over muzikanten.”

“Dus u wilt nog steeds muzikant worden”, vroeg ik. “Gaat u toch optreden?”

Maar Meneer Lucasie zei niets. Zijn schaduw bleef doodstil en zijn hoofd kaarsrecht. Hij keek naar me en zei: “Ik ga het opzoeken, ik zal een boek zoeken over jouw spion.”

 

4.

Misschien is het te gevaarlijk om spion te worden, want iedereen die er met me over praatte is nu weg. Vandaag is mevrouw Joyce alvast naar het volgende station gereisd. Dat betekent dat ze nooit meer terugkomt in het circus en dat we haar pas weer zien als we zelf ook voorgoed gaan slapen.

Er staat een witte kist voor haar woonwagen en daar ligt ze in, maar ik mag er niet naar toe lopen, want mijn vader zegt dat Mevrouw Joyce vergeten is om haar ogen dicht te doen en dat kinderen de dood niet in de ogen mogen kijken. Ze heeft voor een paar mensen boodschap achtergelaten in een envelop en mijn vader heeft al gezien dat er ook een voor mij bij zit.

Ik vind het jammer dat ik niet meer bij haar op bezoek kan gaan, maar ze is tenminste niet weg gegaan zonder iets te zeggen, zoals Meneer Lucasie, want ik denk al lang niet meer dat hij onzichtbaar is. Ik ben nu 11 jaar en dat soort sprookjes geloven alleen kleine kinderen, die ook aan elkaar vertellen dat er ’s nachts een man met een baard zand in hun ogen strooit.

Zelfs mevrouw Lucasie denkt niet meer dat meneer Lucasie terugkomt. Ze heeft zijn naam van haar caravan afgehaald en iedereen fluistert dat ze een rijke man heeft gevonden, omdat ze opeens dure kleren draagt en soms een paar dagen op reis gaat.

Mevrouw Joyce zei vlak voordat ze dood ging nog tegen me dat meneer Lucasie een rare snuiter was en dat ik beter niet meer aan hem kon denken en dat het beter voor iedereen was dat hij nu op een andere plek leefde. Ik vraag me af of hij misschien ook naar het volgende station is gegaan, dat hoop ik niet, want dan komen ze elkaar tegen en krijgen ze ruzie, want ik denk niet dat Meneer Lucasie het leuk vindt dat Mevrouw Joyce hem een rare snuiter noemt.

 

Meneer Phineas staat bij de kist en vertelt een verhaal over het leven van Mevrouw Joyce dat heel anders gaat, dan de aankondiging in de grote tent voor het publiek. Hij zegt dat het circus nooit zou hebben bestaan zonder mevrouw Joyce en dat ze de beste toneelspeelster was die hij heeft gekend. Ik wist niet dat ze ook in toneelstukken speelde, maar ik ben vooral benieuwd of ze echt 161 jaar was en daar zegt Meneer Phineas niks over.

Een van de zwarte mensen houdt ook een toespraak, maar ik kan niet goed verstaan wat hij zegt, omdat hij alle woorden op een rare manier uitspreekt. Ik denk dat hij huilt, want hij heeft een zonnebril op terwijl de zon helemaal niet schijnt.

Mevrouw Joyce was de enige zwarte artiest en daarom keken alle zwarte mensen tegen haar op. Maar ook de andere artiesten zijn droevig, zelfs Chang en Eng hebben hun ogen dicht en dat terwijl ze nooit met Mevrouw Joyce praatten. Als alle mensen bij elkaar staan lijkt het circus een grote familie zonder ruzies. Als de toespraken zijn afgelopen loopt iedereen naar elkaar toe om handen te schudden, maar ik voel alleen handen op mijn hoofd, omdat ik kleiner ben en iedereen het makkelijker vindt om door mijn haar te wrijven en dan te zeggen ‘Sterkte Will, vergeet haar niet’. We staan zo dicht op elkaar dat ik niet weet welke hand bij welke man of vrouw hoort, maar ik herken de stemmen van meneer Phineas en mijn vader en de koordansmeisjes en de verzorgers van Nessie en heel even dacht ik zelfs dat ik de stem van meneer Lucasie hoorde, maar dat kan niet, want onzichtbare mensen bestaan niet en toen ik me omdraaide zag ik alleen zwarte handen.

De envelop kreeg ik pas later van meneer Phineas. Hij zei dat ik het enige kind was voor wie mevrouw Joyce een boodschap had laten schrijven door haar verzorgers en dat ik wel een heel bijzondere band met haar moest hebben. Ik kan niet ophouden met staren naar de foto die erbij zat

 

Beste Will

Ik hoop dat je een goede spion wordt en net zo nieuwsgierig blijft als nu. Maar luister nooit iemand af als dat echt niet nodig is en blijf maar gewoon blank. Ik wens je een goed leven en als je een paar jaar ouder bent, breng dan eens een bezoek aan Joe White, dat is een heel goede vioolspeler die nu voor het orkest van de staat Missisipi speelt.

 

Op de foto bij de brief staat een zwarte man met een viool te spelen in een orkest. Hij komt me bekend voor, want hij heeft rode ogen en volgens mij bestaan er geen zwarte mensen met rode ogen.

——————————————————————-

 

Dit fictionele verhaal is opgedragen aan:

  1. Sarah Emma Edmonds, een blanke, Amerikaanse spionne die zich tijdens de Amerikaanse burgeroorlog vermomde als een zwarte man met de naam ‘ Cuff’ door haar huid te besprenkelen met zilvernitraat
  2. Joseph Lucasie, de albino die in de negentiende eeuw door Phineas T. Barnum ten toon werd gesteld in de Verenigde Staten, maar het circus ontvluchtte en daarna een korte carrière als vioolspeler beleefde.